Een winterochtend voor vertrek
Ik sta in mijn slaapkamer en kijk naar buiten. Sneeuw dwarrelt naar beneden. Op sociale media verschijnen de hele week al berichten over chaos op de luchthaven. In het nieuws gaat het nergens anders over.
Verhalen over vluchten die niet vertrekken. Over boze passagiers die je tegemoetkomen terwijl je probeert je werk te doen. Over urenlang wachten in een toestel, met omroep na omroep over vertragingen. Over last-minute wijzigingen in het rooster.
Op bed wacht een lege plek op een koffer. Hij staat er nog niet. Het advies is om zonder koffer te reizen. Maar je kunt zomaar op een andere bestemming belanden en met slippers in min twintig eindigen. Ik kijk naar mijn uniform. Wat neem je mee als je niet zeker weet waar je uitkomt?
Op mijn scherm licht een appje op: “Heb jij ook last van de gevolgen van het weer?” Lief. Ik glimlach.
Last is urenlang vastzitten in een toestel dat aan de gate blijft staan. Last is aankomen zonder bagage en zonder schone kleren. Last is zoeken naar een hotelkamer die er misschien niet meer is. En het meest lastige is improviseren met wat je bij je hebt, omdat je dacht dat het wel mee zou vallen.
Oplossen kan je op deze momenten niet. Je luistert voornamelijk. Je laat iemand praten en wacht tot de woorden op zijn. Je geeft ruimte voor frustratie, voor wachten, voor het gevoel dat alles buiten bereik ligt.
Ik leg een extra paar sokken klaar. Toch ook die winterjas. Niet alleen een zomerjurk en een bikini. Misschien toch die koffer. Of alleen een opzettas. Alles is samen net te zwaar.
Buiten blijft de sneeuw rustig vallen. Binnen weeg ik af hoe voorbereid ik wil zijn. Reizen zonder koffer klinkt efficiënt, tot je ergens strandt en beseft dat voorbereid zijn soms betekent dat je meer meesleept dan je lief is.
Ik typ terug: “Nog niet.” Mijn blik blijft hangen bij de lege plek op m’n bed.



