𝗛𝗶𝗷 𝗸𝗶𝗷𝗸𝘁 𝗼𝗽 𝘃𝗮𝗻 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝘁𝗲𝗹𝗲𝗳𝗼𝗼𝗻: '𝗜𝗸 𝗻𝗲𝗲𝗺 𝗲𝗲𝗻 𝘃𝗹𝘂𝗰𝗵𝘁 𝗲𝗲𝗿𝗱𝗲𝗿 𝗻𝗮𝗮𝗿 𝗵𝘂𝗶𝘀."
“Werkt de wifi?”
“Heeft u hulp nodig?”
“Ja, het lukt niet.”
“Mag ik uw telefoon even?”
Stilte.
“Ik zou eigenlijk morgen terugvliegen. En nu is ze gevallen, mijn moeder. Ze heeft haar schouder gebroken en in het verzorgingstehuis geven ze haar nu morfine. Ik hoop dat ik op tijd ben.”
Ik kijk hem aan en geef zijn telefoon terug.
“Ze waren altijd samen,” vervolgt hij. “Ze hadden van die dingetjes die wij als kinderen niet begrepen. Van die onderonsjes. Dat was tussen hen. Het huis is zielloos zonder haar, zei pap laatst. Ze zijn onafscheidelijk.”
Hij vertelt en ik luister naar zijn verhaal over liefde. We zitten in de lucht met koffie, thee, kip of pasta. Zijn telefoon ligt stil in zijn hand.
“Is er al nieuws?” Hij checkt zijn scherm.
“Ze wachten met de volgende dosis morfine tot ik er ben. Ik vond het de afgelopen jaren al steeds lastiger om weg te gaan. Je wordt je bewust van hun kwetsbaarheid.”
Mijn collega belt. Waar ben je? Ik moet cabin ready geven.
Na de landing haast hij zich door het gangpad.
Ik hoop dat hij op tijd is.



