𝗦𝗼𝗺𝘀 𝘄𝗶𝗹 𝗷𝗲 𝗯𝗹𝗶𝗷𝘃𝗲𝗻 𝘇𝗶𝘁𝘁𝗲𝗻, 𝗺𝗮𝗮𝗿 𝗺𝗼𝗲𝘁 𝗷𝗲 𝗱𝗼𝗼𝗿.
Hij huilt. Stil.
Z’n schouders gaan op en neer.
Een snotneus.
Z’n wimpers zitten aan elkaar geplakt van de tranen.
Ik zit op m’n hurken naast hem.
Twee bekertjes met warme lappen tegen zijn oren.
Nog drie uur te gaan.
Ik fluister dat het straks wel wat beter gaat.
Hij knikt.
Ook al spreken we elkaars taal niet.
Langzaam voel ik zijn hoofd zwaarder worden.
Zijn wang zakt in mijn hand weg.
Heel even houd ik dat moment vast.
En precies dan roept mijn collega.
Even schakelen.
Ik kijk z’n moeder aan. Zij neemt de bekertjes over. Ik sta op.
Terug naar de galley.
Trolleys, maaltijden, hoe laat gaan we er voor de service in?
Een volle cabine die niets weet van dat kleine mannetje met pijn.
Ik kijk nog even vanuit de galley.
De slaap heeft het van hem overgenomen.
En dan, na de landing, staat hij daar.
Grote bruine ogen, waterige lach.
Hij loopt op me af en slaat z’n armpjes om me heen.
Ik slik een brok weg.
“Gaat het weer een beetje, grote vriend?”
Dit zijn de momenten die het werken met mensen bijzonder maken.
Koffie, chaos
En af en toe een knuffel
Van een superheld in een dinosaurusshirt.



