Jumpseat-confessies
De nachtvlucht terug. Koud en donker in de cabine, twee jumpseats tegenover elkaar.
Ze kijkt op. Haar ogen zijn rood.
“Een collega van mijn vorige vlucht zei dat sommige mensen voor dit werk gemaakt zijn, zoals hij… en dat je dan mensen hebt zoals ik. Die het niet hebben.”
Even hoor ik alleen het gezoem van de motoren. Mijn mond valt open, maar woorden blijven steken. Hoe kan iemand zoiets achteloos uitspreken?
Ze veegt haar wangen droog.
“Ik dacht even dat hij gelijk had.”
Drie uur eerder zag ik haar bij de zwangere vrouw in 42D. Buikpijn, spanning op haar gezicht. Mijn nieuwe collega hurkte naast haar stoel. Met precieze vragen. Hoe ver ben je? Waar zit de pijn precies? Alsof ze in haar praktijk zat en niet in een vliegtuig op tienduizend meter hoogte. Ik zag de spanning van het gezicht van de vrouw afvallen. “Verloskundige,” zegt ze. “Mijn vorige werk.”
“Klopt het wat hij zei?” vraag ik. “Die zwangere vrouw in 42D vertrouwde je binnen dertig seconden.”
“Had je die impact meteen al toen je als verloskundige begon?”
Ik wil zeggen dat ze zulke opmerkingen moet laten voor wat ze zijn, dat ze zichzelf tijd mag geven om te groeien. Ik kijk haar aan.
“Aan welke eigenschappen gaat hij voorbij die jij hebt?” vraag ik haar.
“Wie zou jij eerder meenemen?” Ze kijkt op. Er schiet een glimlach over haar gezicht.
Een passagiersbelletje klinkt. We staan op. Stemmen vullen de cabine.
En ergens tussen de stoelen vervaagt het moment.



