Souvenirs koop je niet in een giftshop, maar in de supermarkt
Mijn lichaam denkt dat het drie uur ’s nachts is. Target denkt dat het twee uur ’s middags is. Ik sta tussen de cornflakes met een maag die nog ergens boven de Atlantische Oceaan hangt en hersenen die hebben opgegeven. Pumpkin spice overal, collageenpoeder voor eeuwige jeugd en tandpasta die wonderbaarlijk alle tandsteen wegwerkt.
Ik pak, leg terug, pak weer. Een robot op automatische piloot. Voor de Goldfish crackers sta ik stil. Oranje-witte papieren zakjes, rijen hoog. Mijn dochters zijn 20 en 22, maar mijn hand pakt ze automatisch. Even zitten we weer samen op de bank, drie paar handen in dezelfde kom.
De trui van Target voelt zacht. Perfecte kleur, denk ik met mijn jetlag-brein. Thuis blijkt het een tienerpyjama. De vitaminepillen voor mijn moeder verdwijnen ook in mijn kar. Die moeten mee.
Overal ter wereld hetzelfde ritueel: in Rio een zware tas vol slippers, mijn schouder die protesteert terwijl ik door een museum loop. In Zuid-Afrika wijn die ik extra goed inpak tussen mijn kleren. In Kenia koffie omdat collega’s zeggen dat die echt geweldig is.
Ik verzamel stukjes van de plek waar ik ben om mee naar huis te nemen. En ik neem thuis mee in mijn hoofd, om dit moment te delen.
Mijn kast hangt vol bewijs dat jetlag en creditcards een gevaarlijke combinatie zijn. Maar die crackers blijf ik kopen. Want soms is liefde gewoon een oranje-wit zakje dat 8000 kilometer reist om op een Nederlandse keukentafel te landen.



